| |
Onttrekking bij gedeeld gezag en het Wetboek van Strafrecht
Uitspraak Hoge Raad bevestigt strafbaarheid onttrekking ook bij gedeeld gezag
In haar arrest (uitspraak) van 15 februari 2005 heeft de
Hoge Raad aangegeven dat er ook sprake is van onttrekking aan het wettig gezag
in het geval dat beide ouders dat gezag delen en er sprake is van een al dan
niet voorlopige regeling met betrekking tot omgang. Tot dit arrest was de veelal
door politie en justitie gebezigde opvatting dat van strafbare onttrekking geen
sprake kon zijn indien beide ouders het gezag deelden.
Dit arrest heeft verregaande consequenties voor de
opsporing en vervolging van ouders, die hun kind in strijd met een rechterlijke
uitspraak niet terug laten gaan naar de ouder die door de rechter met de
verzorging is belast. Indien een kind niet wordt teruggebracht na een bezoek in
het kader van de omgangsregeling pleegt de ouder die het kind achterhoudt of
ontvoerd heeft een strafbaar feit, zoals omschreven in artikel 279 van het
Wetboek van Strafrecht. Afhankelijk van de leeftijd van het achtergehouden of
ontvoerde kind staat daar een gevangenisstraf op van ten hoogste zes of zelfs negen jaar.
Het gevolg hiervan is dat de achterblijvende ouder bij
het ontvoeren of niet terugbrengen van het kind (dus ook als het gezag gedeeld
wordt) hiervan onmiddellijk aangifte kan doen bij de politie. Dit is van groot
belang als de kans bestaat dat het kind zal worden meegenomen naar
het buitenland. In overleg met een Officier van justitie kan de politie dan ook
onmiddellijk overgaan tot het doen van een nationaal en internationaal verzoek
om de opsporing en aanhouding van de ontvoerende ouder.
Artikel 279 Wetboek van Strafrecht
1. Hij die opzettelijk een minderjarige onttrekt aan het wettig over hem
gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem
uitoefent, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of
een geldboete van de vierde categorie.
2. Gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde
categorie wordt opgelegd indien list, geweld of bedreiging met geweld is
gebezigd, of indien de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is.
Hieronder wordt het betreffende arrest weergegeven zoals
het te vinden is op www.rechtspraak.nl .
| LJN: AR8250, Hoge
Raad, 01198/04 |
|
|
 |
| Datum
uitspraak: |
15-02-2005 |
| Datum publicatie: |
15-02-2005 |
| Rechtsgebied: |
Straf |
| Soort procedure: |
Cassatie |
| Inhoudsindicatie: |
Aan gezag en opzicht
onttrekken ex art. 279 Sr. Degene die (mede) het gezag over een
minderjarig kind uitoefent kan dit kind desondanks aan het gezag
en/of het opzicht van een ander onttrekken, bijvoorbeeld door zich
niet te houden aan een bij rechterlijke beslissing vastgestelde
(voorlopige) omgangsregeling. |
|
 |
 |
|
|
|
|
15 februari 2005
Strafkamer
nr. 01198/04
AGJ/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te
Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 7 november 2003, nummer
21/001763-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende
te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de
Politierechter in de Rechtbank te Utrecht van 25 november 2002 - de
verdachte ter zake van "onttrekking van een minderjarige aan het
wettig gezag/bevoegd opzicht" veroordeeld tot een taakstraf bestaande
uit een werkstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen
hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. T.C. ten
Rouwelaar, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie
voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel
uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het
beroep zal verwerpen.
Bij de Hoge Raad is binnengekomen een brief van de raadsman met daaraan
gehecht een brief van de verdachte.
3. Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.1. In de middelen wordt onder meer geklaagd dat het Hof ten onrechte
bewezen heeft verklaard dat de verdachte het kind aan het ouderlijk gezag
of aan het opzicht van de moeder heeft onttrokken in de zin van art. 279
Sr.
3.2. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof gehechte
pleitnotities houden in dat namens de verdachte het verweer strekkende tot
niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging
dan wel tot vrijspraak, is gevoerd, waartoe is gesteld dat de verdachte
zich niet schuldig heeft gemaakt aan overtreding van art. 279 Sr, omdat de
verdachte samen met de moeder het gezag over het minderjarige kind
uitoefende.
3.3. Het Hof heeft onder het kopje 'Verweer betreffende de
ontvankelijkheid van het openbaar ministerie' in de bestreden uitspraak
als volgt overwogen en beslist:
"Anders dan de raadsman stelt is het hof van oordeel dat een ouder
die formeel nog wel het gezag heeft over zijn minderjarig kind dat kind
aan het ouderlijke gezag/opzicht van de andere ouder kan onttrekken.
Verdachte heeft zijn dochter niet teruggebracht naar haar moeder nadat de
omgangsregeling ten einde was gekomen. Het verweer wordt dan ook
verworpen."
3.4. Voorzover in de middelen het standpunt wordt ingenomen dat de
verdachte het kind niet aan het gezag en het opzicht van de moeder kan
onttrekken in de zin van art. 279 Sr, omdat ook de verdachte het gezag
over het kind had, wordt miskend dat degene die (mede) het gezag over een
minderjarig kind uitoefent, dit kind desondanks aan het gezag en/of het
opzicht van een ander kan onttrekken bijvoorbeeld door zich niet te houden
aan een bij rechterlijke beslissing vastgestelde (voorlopige)
omgangsregeling. 's Hofs onder 3.3 weergegeven oordeel getuigt derhalve
niet van een onjuiste rechtsopvatting.
3.5. De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft,
gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot
beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de
rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het derde middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO,
geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van
rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook
geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou
behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als
voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn
van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 15 februari
2005.
|
 |
 |
|
|
Nr. 01198/04
Mr Machielse
Zitting 21 december 2004
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdend te Arnhem, heeft de
verdachte bij arrest van 7 november 2003 ter zake van "onttrekking
van een minderjarige aan het wettig gezag/bevoegd opzicht"
veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van
30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd
van twee jaar.
2. Namens verdachte heeft mr T.C. ten Rouwelaar, advocaat te Amsterdam,
bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
3.1 Het eerste middel bestrijdt, blijkens de toelichting daarop, het
bewezenverklaarde opzet. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 17 mei 2001 tot en met 8 juni 2001 te
Bilthoven en/of IJsselstein, in elk geval in Nederland, opzettelijk een
minderjarige, te weten [betrokkene 1] (geboren op [geboortedatum] 1999)
heeft onttrokken aan het wettig gezag over hem/haar gesteld of aan het
opzicht van degene die dit desbevoegd over hem/haar uitoefent, terwijl die
minderjarige ten tijde van het plegen van dit feit beneden de twaalf jaar
oud is, immers heeft verdachte toen daar:
- zijn dochter [betrokkene 1] in het kader van een omgangsregeling
opgehaald bij de moeder en vervolgens die [betrokkene 1] niet
teruggebracht op de afgesproken tijd en die [betrokkene 1] gebracht naar
een voor de moeder onbekende plaats"
Het middel wijst op een vonnis in kort geding van de rechtbank te Utrecht
van 18 mei 2001, waarin is bepaald dat de dochter haar hoofdverblijf heeft
bij haar moeder. Aangevoerd wordt dat verdachte op het moment dat hij zijn
dochter meenam van de inhoud van dit vonnis niet op de hoogte was. Pas na
zijn aanhouding is hij daarmee bekend geworden.
3.2 Uit de bewijsmiddelen blijkt dat tussen verdachte en de moeder van
[betrokkene 1] sinds 25 november 2000 een omgangsregeling van kracht was.
Deze hield in dat verdachte eenmaal per veertien dagen van zaterdag 11.00
uur tot zondag 17.00 uur en op de daarop volgende donderdag van 12.00 uur
tot 17.00 uur recht had op omgang met zijn dochter. Deze omgangsregeling
is neergelegd in een tot de stukken van het geding behorende
tussenbeschikking van de rechtbank te Utrecht van 24 oktober 2000. Verder
blijkt uit de bewijsmiddelen dat de moeder van [betrokkene 1], [betrokkene
2], aangifte heeft gedaan nadat verdachte [betrokkene 1] op donderdag 17
mei 2000 had opgehaald en hij haar op vrijdag 18 mei 2001 om 18.08 uur nog
niet had teruggebracht. Op dezelfde vrijdag heeft [betrokkene 2] verdachte
in kort geding gedagvaard. De president van de rechtbank heeft in zijn
beslissing van 18 mei 2001 op de vordering van [betrokkene 2] bepaald dat
het hoofdverblijf van [betrokkene 1] bij haar moeder zal zijn en verdachte
bevolen het kind binnen een uur na de betekening van het vonnis aan de
moeder af te geven. Deze en de overige beslissingen van de president van
de rechtbank heeft het hof aan het bewijs laten bijdragen, evenals de
mededeling dat het vonnis op 18 mei 2001 om 18.35 uur aan verdachte is
betekend door dit achter te laten in zijn woning. Op 19 mei 2001 heeft
verdachte de politie gebeld. Hij is toen gewezen op de sinds 25 november
2000 van kracht zijnde omgangsregeling en op het vonnis van 18 mei 2001,
met name op het bevel om [betrokkene 1] terstond terug te brengen naar
haar moeder. Verdachte heeft toen gezegd dat hij het kind bewust niet had
teruggebracht en dat hij niet zou voldoen aan het bevel (bewijsmiddel 1).
Bewijsmiddel 3 bevat de verklaring van verdachte dat hij zijn dochtertje
van 17 mei 2001 tot en met 8 juni 2001 bij zich had en dat hij haar niet
op tijd bij de moeder heeft teruggebracht.
3.3 Voor een goed begrip van de zaak schets ik enige achtergrond.
Verdachte en [betrokkene 2] waren niet getrouwd toen hun dochter
[betrokkene 1] op [geboortedatum] 1999 werd geboren. Verdachte heeft het
kind erkend. Hij en de moeder zijn sinds de geboorte, dus ook ten tijde
van het bewezenverklaarde, gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.
Niet lang na de geboorte zijn verdachte en [betrokkene 2] uit elkaar
gegaan. Zij zijn eerst in onderling overleg en medio februari 2001 door
tussenkomst van hun advocaten een voorlopige bezoekregeling voor hun kind
overeengekomen. Deze hield in dat [betrokkene 1] bij haar moeder zou
verblijven en dat verdachte haar een dag en een middag per week zou
krijgen (bewijsmiddel 2). Op 29 maart 2000 heeft [betrokkene 2] bij de
rechtbank een verzoek ingediend dat strekte tot toewijzing van het
ouderlijk gezag aan haar en tot vaststelling van een omgangsregeling
tussen de vader en [betrokkene 1]. Verdachte heeft zich hiertegen verweerd
en op zijn beurt verzocht om toewijzing van het ouderlijk gezag aan hem en
om vaststelling van een omgangsregeling tussen moeder en dochter. Bij
tussenbeschikking van 24 oktober 2000 heeft de rechtbank overwogen dat het
een omgangsregeling tussen vader en dochter in haar belang achtte en
beslist dat verdachte met ingang van 25 november 2000 op de hier boven
vermelde tijdstippen recht heeft op omgang met zijn dochter. Bij
beslissing van 24 juli 2002 zijn de verzoeken van [betrokkene 2] en
verdachte om exclusieve toewijzing van het ouderlijk gezag afgewezen. Ten
tijde van de bestreden uitspraak was nog geen definitieve omgangsregeling
tot stand gekomen.
3.4 De klacht dat verdachte niet opzettelijk heeft gehandeld omdat hij
onbekend was met het vonnis van 18 mei 2001 is, bezien in het licht van de
bewezenverklaring, irrelevant. De tenlastelegging en bewezenverklaring
houden immers in dat verdachte zijn dochter in strijd met de
omgangsregeling niet heeft teruggebracht. Die omgangsregeling bestond al
in 2000, dus ruim voor het kort gedingvonnis van 18 mei 2001. Overigens
faalt de klacht ook, omdat deze een feitelijke vaststelling van het hof
bestrijdt. Het hof heeft immers vastgesteld dat, na de rechtsgeldige
betekening van het kort gedingvonnis aan verdachte, de in dit vonnis
neergelegde beslissingen op 19 mei 2001 telefonisch aan verdachte zijn
meegedeeld en dat hij zijn dochter toen niet heeft teruggebracht. Voor
bestrijding van die vaststelling op feitelijke gronden is in cassatie geen
ruimte. Voor zover het middel erover bedoelt te klagen dat verdachte op 17
mei 2001 niet wist dat het hoofdverblijf van zijn dochter bij haar moeder
was faalt het eveneens. Het hof heeft uit de bewijsmiddelen kunnen
afleiden dat verdachte met de omgangsregeling van 24 oktober 2000 bekend
was. Voor de beantwoording van de vraag of de omgangsregeling inderdaad
inhield dat het hoofdverblijf van het kind bij de moeder was, zie onder
4.3.
4.1 Het eerste en het tweede middel voeren verder beide aan dat in de
gegeven omstandigheden geen sprake is van onttrekking aan het wettig gezag
of aan het opzicht van de degene die dit desbevoegd uitoefende. Dit
verweer is ook voor het hof gevoerd en strekte tot
niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie dan wel tot
vrijspraak. Het hof heeft in respons op het niet-ontvankelijkheidsverweer
overwogen:
"Anders dan de raadsman stelt is het hof van oordeel dat een ouder
die formeel nog wel het gezag heeft over zijn minderjarige kind dat kind
aan het ouderlijk gezag/opzicht van de andere ouder kan onttrekken.
Verdachte heeft zijn dochter niet teruggebracht naar haar moeder nadat de
omgangsregeling ten einde was gekomen. Het verweer wordt dan ook
verworpen."
De klacht dat het hof bij de vorming van dit oordeel ervan zou zijn
uitgegaan dat ten tijde van het bewezenverklaarde alleen de moeder belast
was met het ouderlijk gezag over [betrokkene 1] faalt bij gebrek aan
feitelijke grondslag.
4.2 In de rechtspraak zijn situaties als deze eerder aan de orde geweest.
In HR NJ 1970, 266 ging het om een echtpaar dat in scheiding lag. Bij
beschikking van de president van de rechtbank was beslist dat hangende het
echtscheidingsgeding de kinderen bij de moeder zouden verblijven. De Hoge
Raad oordeelde dat, ook al leidt een dergelijke voorziening niet tot
opheffing van de ouderlijke macht, deze tot gevolg heeft dat de kinderen
in ieder geval worden gesteld onder het opzicht, in de zin van art. 279
lid 1 Sr, van de ouder aan wie zij voorlopig zijn toegewezen.(1) Iets
vergelijkbaars speelde in de arresten HR NJ 1991, 9 en HR NJ 1991, 824. In
beide zaken waren de onttrokken kinderen in afwachting van de uitkomst van
de echtscheidingsprocedure aan de moeder toevertrouwd. Het zonder haar
toestemming wegnemen van de kinderen leverde een onttrekking aan het
wettig gezag en het bevoegdelijk uitgeoefende opzicht op. De in het middel
bedoelde uitspraken NJ 1950, 833 en 834 werpen geen ander licht op de
zaak, alleen al omdat deze uitspraken een niet goed vergelijkbaar
feitencomplex betroffen, de uitspraken van eerder datum zijn en deze niet
zijn gedaan door de Hoge Raad, zoals het middel veronderstelt, maar door
respectievelijk de Krijgsraad voor de zeemacht en het Hoog Militair
Gerechtshof.
4.3 In dit geval ligt het in zoverre anders dat hier niet sprake is van
een exclusieve toewijzing van het kind aan de moeder. Bij haar
tussenbeschikking van 24 oktober 2000 heeft de rechtbank immers, in
afwachting van een definitieve beslissing, bepaald dat verdachte een
beperkt omgangsrecht met het kind heeft. Anders dan de klacht lijkt te
veronderstellen is in het vonnis van 18 mei 2001 in deze omgangsregeling
geen wijziging aangebracht doordat daarin is beslist dat [betrokkene 1]'s
hoofdverblijf bij haar moeder was. Zoals uit de bewijsmiddelen blijkt was
dit de feitelijke situatie sinds verdachte en [betrokkene 2] uit elkaar
waren. Dit lag ook al in de omgangsregeling van 24 oktober 2000 besloten.
Daarvan is ook de president van de rechtbank uitgegaan blijkens overweging
3.5 van zijn vonnis, dat voor zover van belang luidt:
"Op grond van deze feiten en omstandigheden moet het, mede gezien de
leeftijd van [betrokkene 1], in haar belang worden geacht dat zij haar
hoofdverblijf bij de moeder heeft totdat in de onder 3.3 bedoelde
procedure over de gezagsvoorziening zal zijn beslist. Bij dit oordeel is
mede van belang dat de rechtbank dat in die procedure klaarblijkelijk ook
heeft bedoeld, gezien de regeling die voor de omgang tussen de vader en
[betrokkene 1] is vastgesteld in de genoemde tussenbeschikking van 24
oktober 2000 ()."
Het vonnis houdt wel een andere wijziging in ten opzichte van de
omgangsregeling van 24 oktober 2000. Namelijk dat het verdachte verboden
was het kind zonder schriftelijke toestemming van de moeder mee te nemen.
Ook deze beslissing is op 19 mei 2001 telefonisch aan verdachte meegedeeld
(bewijsmiddel 1).
4.4 Of het kind nou wordt onttrokken terwijl het exclusief aan een ouder
is toevertrouwd of door zich niet te houden aan een bij rechterlijke
beslissing vastgestelde omgangsregeling levert in mijn ogen geen relevant
verschil op. Zowel het wettig gezag als het opzicht berustten ten tijde
van het bewezenverklaarde bij de moeder krachtens de omgangsregeling van
24 oktober 2000. Verdachte heeft het kind aan dat gezag en opzicht
onttrokken door haar op donderdag 17 mei 2001 niet op het overeengekomen
tijdstip terug te brengen. Hij heeft die situatie tot 8 juni 2001 laten
voortbestaan ook nadat hem de inhoud van het vonnis van 18 mei 2001 was
meegedeeld. Het oordeel van het hof dat verdachte in de bewezenverklaarde
periode het kind aan het wettig gezag en het opzicht van de moeder heeft
onttrokken geeft naar mijn mening geen blijk van een onjuiste
rechtsopvatting. De klachten falen voor zover deze uitgaan van een andere
opvatting.
4.5 De klacht dat het hof heeft aangenomen dat was aangevoerd dat dit
verweer tot ontslag van rechtsvervolging zou moeten leiden, berust op een
onjuiste lezing van de bestreden uitspraak. Ook deze klacht faalt dus.
4.6 Het tweede middel bestrijdt verder de verwerping door het hof van een
beroep op overmacht. Het hof heeft dit verweer als volgt samengevat en
verworpen:
"De verdediging heeft aangevoerd dat er een noodsituatie was ontstaan
omdat verdachtes dochtertje door haar moeder, die het wettig gezag over
haar uitoefende, niet goed zou worden verzorgd.
Het hof is van oordeel dat het gevoerde verweer dient te worden verworpen.
Het hof overweegt hierbij dat er geen omstandigheden aannemelijk zijn
geworden die het acuut handelen van verdachte rechtvaardigden en dat
voorts niet is gebleken dat - indien er al sprake zou zijn geweest van een
noodsituatie - er voor verdachte geen andere mogelijkheid open stond, nu
hij zich had kunnen wenden tot een bevoegde instantie, zoals de Raad voor
Kinderbescherming, de politie of de officier van justitie, in geval van
een noodtoestand."
De klacht is dat het hof geen acht heeft geslagen op ter ondersteuning van
dit verweer overgelegde bewijsstukken. Deze klacht faalt. Het hof heeft
geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat [betrokkene 1] slecht werd
verzorgd door haar moeder. Dat is een oordeel van feitelijke aard dat in
cassatie slechts beperkt kan worden getoetst. De waardering van het door
de verdediging overgelegde bewijsmateriaal is aan het hof voorbehouden.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 oktober 2003 blijkt
verder dat het hof de korte inhoud van de stukken van eerste aanleg en van
de nadien aan het dossier toegevoegde stukken heeft voorgehouden,
waaronder de brieven van verdachte van 22 september 2003 en 17 oktober
2003 met bijlagen. Het moet er dus voor worden gehouden dat door het hof
ook op de door het middel bedoelde stukken acht is geslagen. Dit geldt
temeer nu het middel niet vermeldt welke bewijsstukken het hof zou hebben
gemist.
Ook de klacht dat het hof er geen rekening mee heeft gehouden dat
verdachte geen vertrouwen had in de Raad voor de Kinderbescherming faalt,
reeds omdat niet blijkt dat die stelling voor het hof is ingenomen.
5.1 Het derde middel betreft de afwijzing door het hof van een verzoek om
getuigen te horen. In de bestreden uitspraak heeft het hof overwogen dat
de verdediging subsidiair heeft verzocht het onderzoek aan te houden om
enkele getuigen te horen. Het hof heeft dit verzoek afgewezen omdat het
zich voldoende voorgelicht achtte, zodat van een noodzaak tot het horen
van die getuigen niet was gebleken.
5.2 Noch uit het proces-verbaal van de zitting van 24 oktober 2003, noch
uit de daaraan gehechte pleitnota noch uit enig ander stuk in het
procesdossier blijkt dat door de verdediging aan het hof is verzocht om
getuigen te horen. Dat betekent dat hetzij het hof door een vergissing de
in het middel aangevochten beslissing in zijn uitspraak heeft opgenomen
hetzij het verzoek wel is gedaan maar dit niet in het proces-verbaal is
opgenomen.
5.3 Ik meen dat dit in het midden kan blijven. Volgens het middel betrof
het ter zitting gedane verzoek getuigen van wie eerder verklaringen aan
het hof werden toegezonden. Ik neem aan dat hiermee wordt gedoeld op de
brief van 5 september 2003 van de raadsman van verdachte. Het middel voert
als klacht aan dat het hof het getuigenverhoor niet heeft toegestaan en
dat het derhalve van belang is dat de getuigen alsnog worden gehoord. Die
klacht kan, ook als ervan wordt uitgegaan dat het verzoek wel is gedaan,
in ieder geval niet slagen. Het valt niet in te zien dat uit de afwijzing
van het verzoek volgt dat verdachte een belang had bij toewijzing van het
verzoek. Laat staan dat die opmerking iets afdoet aan de begrijpelijkheid
van 's hofs oordeel dat de noodzaak tot het horen van de getuigen in zijn
ogen niet bestond. Het middel geeft eigenlijk alleen maar aan dat
verdachte het niet eens is met de beslissing van het hof, maar betwist
niet dat het hof het juiste criterium heeft gehanteerd en geeft evenmin
aan waarom de beslissing van het hof onbegrijpelijk zou zijn.
5.4 Tot slot bevat het middel de klacht dat het hof geen acht heeft
geslagen op een aantal door verdachte aan het hof ter beschikking gestelde
stukken. Ook deze klacht faalt, reeds omdat het middel niet verduidelijkt
op welke stukken het doelt.
6. De middelen zijn tevergeefs voorgesteld en kunnen, met uitzondering van
de in 4.1 tot en met 4.4 besproken klachten, met de aan artikel 81 RO
ontleende motivering worden verworpen. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik
zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te
vernietigen heb ik niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Zie ook NLR, aant. 2 bij art. 279.
|
|
|